Column: “Er gaat vaak meer in zo’n jong koppie om dan je denkt.”

Week van het jonge kind

In Nederland verblijven bijna 50.000 kinderen in een 3-milieuvoorziening, waar zij wonen, naar school gaan en hun vrije tijd doorbrengen. Deze kinderen krijgen om de week een vertrouwenspersoon op bezoek. Bijvoorbeeld Karin Koens van AKJ’s regiokantoor in Rotterdam. Zij bezoekt zes groepen waar kinderen jonger dan 12 jaar verblijven. Ter gelegenheid van de ‘Week van het jonge kind’ vertelt ze over haar ervaringen.

“De kinderen die ik tegenkom op de groepen hebben al veel meegemaakt in hun jonge leven. Er is een heel netwerk om hen heen: hun ouders, hun jeugdbeschermer (voogd), een case manager, hulpverleners op de groep… Voor kinderen is het vaak helemaal niet duidelijk wie er allemaal rondlopen en waarom. Ik merk dat jonge kinderen vaak iets niet durven te vragen. Of ze weten niet goed aan wie ze het beste hun vragen kunnen stellen. Dus ik leg de kinderen telkens als ik kom uit dat ze mij alles mogen vragen en vertellen. Het komt regelmatig voor dat ze samen met mij iets willen vragen aan de groepsleiding. Of dat ze willen dat ik dat voor hen doe. Overigens krijg ik ook grappige vragen. ‘Weet jij toevallig waarom het water in de zee zout is?’, was er zo een. Het antwoord daarop moest ik even opzoeken, haha!

Laatst was op een groep en liep ik al naar beneden om weg te gaan. Een jongetje van 9 jaar liep achter me aan. Hij woont al een tijdje op de groep, maar we hadden nog geen persoonlijk gesprek gehad. Wel maakten we regelmatig een kletspraatje, dus hij is goed bekend met mij. Hij houdt me staande en vraagt of ik toevallig weet wanneer hij weer naar huis mag. Hij zegt dat hij daar vaak aan moet denken. Maar hij heeft het daar nog met niemand over gehad. Ik geef aan dat ik het niet weet, maar dat ik wel aan de begeleiding kan vragen of zij daar iets meer van weten. Als hij wil, kunnen we dat samen doen. Hij durft dit niet goed en vraagt of ik het eerst aan de groepsleiding wil vragen. Dat doe ik, deze geeft aan dat zij niet had verwacht dat het jongetje er mee bezig zou zijn dus dat ze het inderdaad ook nog niet eerder met hem hebben besproken. Er zijn wel ontwikkelingen, er is zelfs een streefdatum. We halen het jongetje erbij en hij wordt geïnformeerd over de plannen in een prettig gesprek. Daarna gaat hij weer lekker spelen met zijn vriendje. Zowel het jongetje als groepsleiding zijn blij met het feit dat het bespreekbaar is gemaakt.

Bij jonge kinderen maken hulpverleners vaak de afweging om nog niet te vertellen dat ze binnenkort weer naar huis mogen. Want dat kan onrust teweegbrengen. Bijvoorbeeld ‘over 3 maanden mag je naar huis’, is heel ver weg voor zo’n kind. Maar als het een kind bezighoudt, dan vind ik dat je daar wel over moet praten. Zeker als het over het toekomstperspectief gaat, zoals bij dit jongetje het geval was. Er gaat vaak meer in zo’n jong koppie om dan je denkt.

Wat ik ook vaak tegenkom dat kinderen in eerste instantie niet goed uit kunnen leggen waarom ze heel boos of verdrietig zijn. Ik neem dan echt de tijd om daar achter te komen. Zo kwam ik een tijdje terug op een groep waar de leiding me vertelde dat een van de meisjes (11 jaar) heel erg boos op haar kamertje zat. Ze zeiden: misschien goed als jij even bij haar langs gaat. Dan ga ik daar dus heen en vraag ik haar of ik binnen mag komen. Als dat mag, vraag ik of het kind wil vertellen waarom ze boos is. Dan ga ik simpelweg heel goed luisteren en doorvragen. Zonder oordeel of de boosheid terecht is of niet. Wat bleek: het meisje werd erg gepest op school, daar was ze eigenlijk heel verdrietig over. Na een tijdje praten bleek dat het meisje zich niet gesteund voelde door de leiding. Dat maakte haar boos. En dan vraag ik wat ik kan doen om te helpen. Of ze het fijn vindt als we er samen over praten met de groepsleiding. Dat wil ze wel.

Mijn rol is dan haar boosheid en de pijn en het verdriet daaronder zo goed mogelijk te vertalen naar de groepsleiding. Voor haar is het fijn dat ze dat niet alleen hoeft te doen. Zo’n gesprek is namelijk altijd moeilijk want ook al weet zo’n meisje dat niet bewust, het is wel een afhankelijkheidsrelatie waar ze in zit. Dan praten we er over met de leiding. Over wat zij moeilijk vindt, maar ook over haar eigen gedrag en wat ze daar mee uitlokt. En dat ze dat ook anders aan kan pakken. Dat snapt ze heel goed en uiteindelijk is ze niet meer boos. Sowieso streef ik er altijd naar om kinderen uit hun verdriet of boosheid te krijgen. Als dat lukt, ga ik heel tevreden naar huis.”

Terug naar nieuwsoverzicht