Moet ik nu alweer verhuizen?

“Wat mij als vertrouwenspersoon regelmatig opvalt, is dat de kinderen het niet tegen de gezinshuisouders durven te zeggen als zij ergens moeite mee hebben. Zij hebben vaak al op te veel plekken gewoond. Daarom houden zij dingen voor zichzelf. Dat was ook het geval bij de 12-jarige Freddy.

In totaal wonen er acht kinderen in het gezinshuis waar Freddy anderhalf jaar geleden is geplaatst. Het gezin is net verhuisd naar een groter huis waar meer ruimte is voor de kinderen. Freddy vindt dit fijn. Dat vertelt hij als ik bij het gezin op bezoek kom. Zoals gebruikelijk drink ik eerst thee met het gezin en praten we over koetjes en kalfjes. Als ik vraag of een van de kinderen even alleen met mij wil praten, zegt Freddy dat hij dat wel wil.

We gaan in een apart kamertje zitten waar niemand ons kan horen. Als ik Freddy vraag hoe het met hem gaat, barst hij in tranen uit. Ik laat hem even begaan en vraag dan waar die dikke tranen vandaan komen. Hij vertelt dat het door de verhuizing komt. De gezinshuisouders hebben het daar heel druk mee en ze hebben geen tijd voor hem. Ook vindt hij zijn huiswerk heel moeilijk en dat gaat allemaal niet goed, maar hij durft dat niet te zeggen.

Terwijl ik hem troost, blijf ik Freddy rustig vragen stellen om te achterhalen waar het pijnpunt precies zit. Het verdrietige jongetje rakelt herinneringen op aan eerdere verhuizingen. Hij woonde bij zijn ouders maar dat ging niet goed. Toen ging hij bij zijn oma wonen. Van oma naar een open groep. Van de open groep naar het gezinshuis. Er klinkt een hoop angst en spanning door in zijn woorden. Op mijn vraag of hij bang is dat dit gezinshuis weer een tijdelijke plek zal zijn, knikt hij heel hard ja. Ook vertelt hij dat hij zijn ouders heel erg mist. Daar praten we een tijdje over.

Als Freddy bedaard is, vraag ik wat ik voor hem kan doen. Ik vertel hem dat het goed zou zijn als hij hier met zijn gezinshuisouders over zou praten en dat ik hem daarbij kan helpen. Maar dat dat niet meteen hoeft. Hij kan er ook nog over nadenken. Freddy zegt dat hij het graag nu wil doen. Hij hoopt dat ze dan ook kunnen helpen met huiswerk. We spreken af dat ik de gezinshuisouders vraag om bij ons te komen zitten.

Zodra zij op de bank zitten, begint Freddy zelf te vertellen, hoe dapper! Af en toe vul ik hem aan om iets te verduidelijken over de eerdere verhuizingen die traumatisch voor hem waren. De gezinshuisouders prijzen Freddy dat hij hen vertelt wat hij moeilijk vindt. En dat ze dat heel goed snappen want het is ook heel druk geweest. Het is een fijn gesprek waarin ze Freddy geruststellen. Ze geven aan hoe ze hem kunnen helpen met zijn huiswerk en vragen ook wat ze kunnen doen om de nasleep van de verhuizing minder spannend voor hem te maken. Freddy ontspant zienderogen. Als ik een half uur later wegga, speelt hij een spelletje met zijn gezinshuisbroertje en hoor ik hem lachen. Tevreden loop ik de deur uit.”


Het verhaal komt uit de praktijk van Arianne Stalenhoef, vertrouwenspersoon bij AKJ Utrecht. De naam Freddy in dit praktijkvoorbeeld is fictief.

(Elk verhaal van een kind, jongere of (pleeg)ouder is uniek. Elke klacht over jeugdhulp vraagt dan ook om een andere oplossing. Als jij een klacht hebt, doen onze vertrouwenspersonen hun uiterste best om jou te helpen. Daar kun je altijd op rekenen.)

Terug naar alle verhalen